Bekijk alle inzendingen: Schrijf! in de krant 2: De Wachtkamer
Ingezonden: 31-10-2009
Over een doktersassistente met een probleem.
Laat mij je over mijn werk vertellen. Elke dag zit ik hier achter gewapend glas. Dat is maar goed ook. Kleinzerige, schijnheilige mormels zijn het. Zonder dat glas was ik er al lang een naar de keel gevlogen. Dat komt maar langs bij het minste of geringste. Niets aan de hand en toch piepen. Hoestend strompelen ze over de drempel. Alsof ze ter plekke aan een longontsteking zullen bezwijken. Laat me niet lachen! Een verkoudheid en zelfs dat niet eens. Was er maar eens wat. De laatste keer dat iemand hier goed ziek was, is alweer drie maanden terug. Een acute blindedarmontsteking. De oudjes zijn het ergst. Die hebben niets beters te doen dan, na hun dagelijkse boodschap, even bij de dokter langs te wippen. Hoewel. Van wippen is geen sprake. Puffend staan ze voor mij. Mijn ruit beslaat ervan. Nou, bedankt!
Vergis je niet. Ik versta mijn vak. Ik weet precies wat te doen en wat te laten. Ik ken de grens tussen afstand en nabijheid. Discreet en zonder oordeel in de ogen van velen. Ik ben een professional. Altijd alles op orde en aan kant. Geen dossier misplaats, geen notitie vermist. Ik denk wel te kunnen zeggen dat ik een van de besten ben in mijn vak. Ik versta Hans zonder een enkel woord. Een gebaar is vaak genoeg. Aan zijn voetstappen in de gang hoor ik hoe de vlag erbij hangt, hoeveel patiënten hij kan ontvangen die dag. Hans en ik zijn een goed stel.
Gek eigenlijk dat hij dat niet ziet. Elke dag om half acht loopt hij vanaf de achterdeur rechtstreeks naar zijn kamer. Andere huisartsen maken ‘s ochtends een praatje met hun assistent, maar hij gaat gelijk aan de slag. Dat de koffie klaar staat valt hem niet meer op. Soms, voor de eerste patiënten binnen komen, besluit hij even de spreekkamer te luchten. Met mijn koffiemok tegen zijn wang bladert hij dan door de leesmap op de tafel in de wachtkamer. Bij Arts & Auto houdt hij even in. Waarom doet hij dat niet bij mij? Is er iets mis met me? Ben ik lelijk? Dom? Ongezellig? Niet lief? Waarom ziet hij mij niet zitten? Moet ik eerst een steenpuist kweken voordat we echt contact kunnen maken?
Al die mannen en vrouwen die maar bij hem langs mogen. Ik ben nooit ziek. Prijzenswaardig natuurlijk, maar het lijkt me geen verdienste. Had ik maar eens wat. Dan kwam ik ook een keer aan de beurt. Dan kon ik kermend neerploffen op de bank om vervolgens ongegeneerd een Story te verslinden. Hans zou mijn naam roepen. Eén keer en nog een keer en net op het moment dat ik op wil staan helpt hij me uit de bank op weg naar zijn kamer. Zijn grip is stevig; zijn arm om mij heen, zijn hand onder mijn oksel, zijn vingers lichtjes tegen mijn rechterborst. In het voorbij gaan stoot ik per ongeluk tegen het zere been van mevrouw Verstegen. Oeps. Mijn excuus, niet gezien.