Ga direct naar de content

ARABISME ALS BEDRIEGLIJK MIDDEN – Deel 4: Een wereldhistorische illusie
10 maart 2010

ARABISME ALS BEDRIEGLIJK MIDDEN – Deel 4: Een wereldhistorische illusie

Bekijk alle berichten van Willehalm | Waarschuw de redactie

Inleiding door de vertaler: De hier afgebeelde persoon is de al eerder genoemde Thomas Woodrow Wilson, die tussen 1913 en 1921 president van Amerika was en in een vorig leven de grondlegger van het Arabisme de beroemde cq. beruchte Kalief Muawija (berucht daar hij onder de Sjiieten zeer omstreden om niet te zeggen ongeliefd is) . In 1919 werden de zog. 14 punten van deze Amerikaanse president als basis voor de vredesonderhandelingen in Versailles aangenomen die Rudolf Steiner, zoals in dit deel 4 te lezen valt, als een van de grootste wereldhistorische illusies heeft gekarakteriseerd, waarvan de gevolgen nog tot aan het heden de mensheid parten speelt. De zelfbestemming van alle volken, zonder de driegeleding van het sociale organisme zoals die door Rudolf Steiner destijds als antwoord op Wilsons wereldvreemd vredesprogramma werd voorgesteld, heeft immers tot op heden het nationaliteitenprobleem, het vraagstuk der minderheden in een centraal staatsbestel niet kunnen oplossen, maar integendeel tot meer onvrede en verdere oorlogshandelingen geleid. In dit deel 4 wordt er ook op gewezen dat dit een te overwinnen erfenis is van het Arabisme, de politieke Islam die als theocratie de trias politica, scheiding der machten in rechtgevende, rechtuitvoerende en rechtsprekende organen, niet kent en erkent, laat staan de trias organica, de driegeleding van het sociale organisme in een vrijgeestesleven, een op gelijkheid gebaseerd rechtsleven en een op broederschap gebaseerd economisch leven: een aan de ontwikkeling van de mensheid afgelezen impuls waarin de drie idealen van de Franse revolutie tot hun goed recht komen. Daar dit voorstel van Rudolf Steiner eerst in Brest Litovsk en daarna in Versailles niet aangenomen werd door de Midden-Europese onderhandelaars, ontwikkelde Rudolf Steiner in zijn cursus Wereldeconomie in 1922 een nieuwe vorm van de sociale driegeleding of te wel sociale organica, die als antwoord op de huidige economische en financiële crisis nog steeds actueel is (zie: “De rechtvaardige prijs – wereldeconomie als sociale organica” en “Geldordening als bewustzijnskwestie – een nieuw financieel stelsel vereist een nieuw beschavingsprincipe” door Herbert Witzenmann, twee publicaties die samen met “Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus” en “De Gouden Tip – de verstrengeling van onder- en bovenwereld en de moord op G. J. Heijn” van Slobodan Mitric van Werner Greub op 28 mei jl. in de Amstelkerk te Amsterdam door de Stichting Uitgeverij Willehalm Instituut gepresenteerd werden).

We hebben daarmee een blik geworpen op de geweldige wereldhistorische invloeden die tot in onze tijd van het door de Islam gevormde Arabisme uitgaan. Daarbij mogen we niet over het hoofd zien dat deze tegelijk ook staatskunst was. Met het geestelijke en religieuze element is vanaf het begin – we hebben het reeds genoemd – het juridische en sociale verbonden. De levensordening van de Islam omvat het gehele menselijk bestaan in geestelijk, juridische en economisch opzicht en stelt deze driegeleding eveneens onder de eenheid van haar monotheïstisch Godsbegrip. In die zin werd de uiteenzetting met haar ook tegelijk een politieke vraag. Men vergelijke daartoe bv. de geschiedenis van Roger van Sicilië, die men “Roger de Heiden” noemde. Hij maakte zijn hof in Palermo tot een afbeelding van de wijsheidsschool in Bagdad. En Frederik II droeg ook Islamitische gewaden en liet Arabische administratoren zijn regering leiden, - zo groot was de fascinatie die van de Arabische cultuur uitging. Hij stichtte in 1224 de eerste Europese staatsuniversiteit in Napels en schonk deze zijn eigen verzameling van Arabische manuscripten. Kort daarna werd geen mindere dan de jonge Thomas van Aquino student aan deze universiteit en ontmoette daar voor het eerst het werk van Aristoteles. Daarmee werd wederom een baken voor de wereldgeschiedenis gezet (zie: „Islam, die mohammedanische Staatenwelt“, Rororo 1978).

Wij willen hier ook de kruistochten slechts aanstippen, die immers een directe uiting van de strijd tussen het westerse Christendom en het Mohammedanisme zijn. Zoals bekend moesten daarbij de christelijke ridders het onderspit delven, - Jeruzalem bleef tot op heden een door Joden en Arabieren beheerste stad. Maar de stroom die van het “Heilige Land” in het Avondland terugkwam, bracht een nieuw golf van Arabische opvattingen mee en droeg bij aan de politiek-sociale vormgeving van Europa.

Op een heel andere manier werd een persoonlijkheid tot de uitgangspositie van zulke politiek-sociale impulsen van de Islam. Deze was reeds vóór de periode van Haroen al-Rashids heerschappij als kalief in beeld gekomen. Eerst als gouverneur van het belangrijke centrum Damascus, viel Muawija door zijn bedreven politiek en behendige administratie op. In die zin had hij zijn kalifaat meer te danken aan zijn verstand dan aan zijn daadkracht. In een moderne beschrijving van de Islam lezen we over hem: ”Muawija moet vanuit de huidige optiek tot een van de wijste staatsmannen gerekend worden die het politieke Arabierendom heeft voortgebracht.” (zie: W. Fuchs, “Die Araber und ihre Welt”, 1977). Als stichter van de dynastie van de Omarijaden legde hij de grondsteen voor de eigenlijke expansie van de Arabische heerschappij tot aan het Verre Oosten en het Westen. Hij bedreef reeds wereldpolitiek en inaugureerde het meest glansvolle tijdperk in de geschiedenis van het Arabische wereldrijk.

Net zoals Rudolf Steiner geesteswetenschappelijk onderzoek heeft verricht naar het tijdperk van Haroen al-Rashid en zijn “adviseur”, die in de geschiedenis met de naam Jahja wordt aangesproken, trok ook de persoonlijkheid van Muawjia zijn aandacht. En juist het element dat vanaf het begin van de Islam deze religie het sterkst vormde, het “abstracte in het doordenken van de wereld”, het monotheïstische idee van de Vadergod, kwam bij een dergelijke persoonlijkheid tot uitdrukking. Voor de geestesonderzoekende blik onthulde deze zich in een latere incarnatie als de architect van een eveneens abstracte gedachteconstructie: de “14 punten” van Woodrow Wilson, voormalige geschiedenisprofessor in het Amerikaanse Princeton, die geloofde dat met deze “koude, abstracte, inhoudsloze zinnen men een wereld zou kunnen vormgeven.” (zie Rudolf Steiner, „Karmabetrachtungen. Baco von Verulam, Amos Comenius, Woodrow Wilson“, zesde voordracht van 12 juni 1924 in Breslau, afgedrukt in “Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge,“ V. Band, GA 239, ook vertaald in het Nedelands). Deze “wereldhistorische illusie”, die tot op de dag van vandaag door de gevolgen van het Verdrag van Versailles van 1919 zich in het politiek-sociale leven van de volkeren voortsleept, werd eveneens door Albert Steffen tot het middelpunt van een drama gemaakt, de “Vredestragedie” (zie: Albert Steffen, „Friedenstragödie“, 1936)

Wederom plaatsen we een scène uit dit dichtwerk op de voorgrond die voor ons thema belangrijk is. In een gesprek tussen Wilson en de Arabische deskundige zegt laatstgenoemde: “…juist in Damascus werd Islam politiek, en ook haar kern, de leer van het Jongste Gericht”. Want “Muawija was niet meer een onvoorwaardelijke gelovige zoals zijn voorgangers; hij liet de leer filosofisch uitwerken en juridisch onderbouwen…Hij wilde zijn macht tot aan Indië en Europa uitbreiden… Aan het einde van zijn leven lukte het hem zijn erfopvolging te regelen. Daarin week hij het meest van de profeet af”, want “Muawija volgde de stem van zijn eigen bloed”, hij reserveerde het kalifaat voor zijn familie, introduceerde het erfopvolgingrecht…” Dat bleef vervolgens van doorslaggevende betekenis voor de volgende eeuwen.

Ook de door Wilson gefundeerde staatsrechtelijke ordening berust op bloed, op het “recht van naties op zelfbestemming”, een principe dat de ontwikkeling van vrije gemeenschappen op grond van spirituele inzichten een geweldige hindernis in de weg legt. “En het is waar, men is door geen enkele wereldhistorische illusie zo in de val gelopen, bijna de hele mensheid, als deze.” (Zie: Rudolf Steiner, Voordracht in Breslau, 12 juni 1924). Dat was 1924 en sindsdien is er nog maar bar weinig realiteitszin opgekomen om deze illusies niet steeds verder te koesteren.

Maar juist het persoonlijke lot van Muawija wijst op de eigenaardige verbinding die de Islam met de tegenpool van het abstracte intellectualisme is aangegaan: haar verbinding met het fantastische element, met de kunst. Wellicht het meest uitgebeeld vinden we dit element in de Arabische architectuur, en hier weer in ’t bijzonder in de “Arabesk”.
Reeds over Mohammed wordt bericht dat hij tegen zijn vrouw Aischa gezegd zou hebben: “Weet je niet dat de engelen weigeren om een huis binnen te komen waarin zich een beeld bevindt?” (zie: “Islam, die mohammedanische Staatenwelt”, Rororo 1978). Aldus hebben de Arabische kunstenaars zich op puur decoratieve, abstracte patronen gericht. Uit een versmelting van plant- en diermotieven is op die manier de Arabesk ontstaan, die in oneindige variaties een grondthema behandelt. Een dergelijk gestileerd motief komt voort uit het Griekse Acanthusblad, zoals we die aan de Korinthische zuilen vinden. Dit oorspronkelijk uit de imaginatie van het levenselement geboren ornament werd tot het abstracte schoonheidsideaal van de Arabische decoratiekunst, zoals de Arabische geleerden het denkfundament stichtten voor het abstracte onderzoek van de natuurrijken. Wie de Alhambra in Granada bezoekt, kan van deze meesterlijke kunst grandioze getuigenissen leren bewonderen, - evenals de abstracte patronen van Arabische geknoopte tapijten of de net zo kunstige formalistische dichtwerken van de Islamitische volkeren.

Hier ligt de genoemde relatie met het lot van Muawija. Door zijn vrouw, Maisun is bv. het volgende lied overgeleverd, dat tegelijk het weemoedige verlangen van veel Arabieren uit die tijd naar het oude nomadenleven weerspiegelt. Het luidt in de dichterlijke vertaling van Friedrich Rückert (zie vorige noot):

“Een kleed van wol en vrij het hart van leed,
Heb ik liever dan een gewaad van zijde –
Een tent waartegen de woestijnwinden slaan,
Heb ik liever dan het oprijzen der paleizen.
Een harde kameel in het vrije veld te berijden,
Heb ik liever dan des muildiers zachte stappen.
Een hond die gasten meldt door zijn blaffen,
Heb ik liever dan des handpauken schallen.
Een beetje brood in de hoek van een hut,
Heb ik liever dan een snee van de keuken.
Een slanke, kranige, van mij een neef,
Heb ik liever dan een dikke lomperd.”

Minder fantasievol dan een dergelijk gedicht zijn de beroemde verhalen uit 1001 Nacht. Als men bv, de “Verhalen van de nachtelijke avonturen van de kalief” neemt (uit: “Ali baba en de 40 rovers alsmede de nachtelijke avonturen van de kalief”), die over Haroen al-Rashid gaan, dan is men elke keer verbaasd over de ongelooflijke verbeeldingskracht van zulke vertellingen, die op dezelfde wijze een ongehoorde scherpzinnigheid weerspiegelen en inzichten bieden in onheilspellende afgronden van het menselijke zieleleven. Hier openbaart zich weer een uniek element van het Arabisme, waarin religie, wetenschap en kunst samenstromen in een tijd die in wezen niet meer en nog niet weer rijp daarvoor was. Want er ontbrak de echte inspiratiebron van de geestelijke wereld. Ook hier een zeer verleidelijk, maar toch bedrieglijk midden, - de ware kracht van het hart was er niet.

Daarentegen was Goethe al een baanbrekend geest, die als dichter en vorser en mens deze drieheid in een hogere eenheid in zijn leven tentoonspreidde. Dat kon hij uiteraard, omdat hij deelnam aan de stroming die de Arabische geest in de 13de/14de eeuw afloste en een wedergeboorte van de Griekse geest in een christelijke metamorfose te weeg bracht. Goethe staat aan het einde van dit tijdperk. Hij verloste het Arabisme met zijn kleurenleer en zijn metamorfoseleer van het abstracte intellectualisme van de wetenschap, hij verchristelijkte eveneens de heidense cultuur der Grieken en vermenselijkte door zijn persoonlijkheid de dogmatisch geworden religie. Zijn woorden ”Wie wetenschap en kunst bezit, die heeft ook religie…” geeft niet alleen blijk van een echte impuls van het midden, - het is tegelijk de opmaat en wekroep voor een nieuw tijdperk. In het Goetheanisme werd dat voortgezet, in de anthroposofie vervuld.

“Als we begrip hebben voor de tijdsontwikkeling, dan mogen we als de laatste grootse geest die de veel-heid van wetenschap, de veelheid van het Christendom en de veelheid van de renaissancecultuur in zijn ziel verenigde, Goethe noemen, en we kunnen dan verwachten dat Goethe voor ons in zijn ziel de schone vereniging zou uitbeelden van de renaissancecultuur, de wetenschap, dwz. het intellectualisme zoals dat door het Arabisme werd bevrucht, en het Christendom.” (zie: Rudolf Steiner, Voordracht in Berlijn, van 13 maart 1911).
Uit zulke woorden van Rudolf Steiner kunnen we opmaken dat onze tijd een nieuwe impuls behoeft die boven het Goetheanisme uitgaat.

Wie vandaag het Arabisme volgt, zal niet alleen in zijn wetenschap voor kennisbeperkingen komen te staan, maar evenzo in zijn moreel leven ziekelijk gespleten worden. De overtrokken intellectualiteit alsmede de losbandigheid van het driftleven laten de mens van onze tijd geen midden meer vinden, die kalmerend en reinigend in staat is ware mensheidsimpulsen aan te boren. In het fatalisme van het moderne Arabisme kan noch de vrijheid gedijen noch het lotsbegrip tot wasdom komen. In de plaats van zielsmatige activiteit treedt passieve verstarring in dogmatisme en autoriteitsverslaving. En nu zoals meer dan duizend jaar geleden resulteert daaruit succesdenken, [dwz. het uitsluitend op resultaten gericht denken] machtsimpulsen en barbarij. De Arabesk verandert in een “elegante” handhaving van het materialistische wereldbeeld.

(wordt vervolgd.)

Reacties (2)

Het westers superioriteitsgevoel waarmee Wilders op zijn ouderwetse agressieve islam en Steiner(en u) -zij het veel intelligenter- op uw arabistische islam neerkijkt, lijkt me weinig van doen te hebben met de manier van denken en doen van Jezus. Op de moeilijke weg naar het "Rijk van God", vraagt hij van ons om samen te werken in liefde en elkaar echt serieus te nemen zonder onszelf (wat ouderwets?)beter te vinden. Met al onze inzet staat zijn "Abba" garant voor de voltooiing van dat ideaal.

joosttiboschsr op 01-02-2010 12:44 | Waarschuw de redactie

Ik ben op deze reactie in mijn inleiding op deel 5 van deze verhandeling ingegaan. Met de nog niet behandelde reacties zal ik me in een nabeschouwing uiteenzetten.

Willehalm op 06-02-2010 14:50 | Waarschuw de redactie

Alleen geregistreerde bezoekers kunnen hier reageren. Ga naar registreren of inloggen.

Blogs

Doe mee

Meld u aan en begin een eigen blog. Al geregistreerd? Log dan in en keer terug naar deze pagina om een nieuw bericht te schrijven.

Uitgelicht

Weblog Delfgaauw

Paul Delfgaauw stelt in zijn blog 'over goden en mensen' vragen over geloof, wetenschap en de kunst van het leven.

Uitgelicht

Weblog Salicornia

Bioloog Frans Olofsen schrijft in zijn blog ' over grenzen en grensgangers' over kunst, evolutie en natuur.

Uitgelicht

Weblog Winkelman

HP Winkelman blogt over vrije wil, leven na de dood en het christelijke geloof.

Uitgelicht

Weblog Kookdominee

Kookdominee Han Wilmink blogde tijdens de veertigdagentijd over zijn vastenervaringen. Hier kunt u het teruglezen.