Ga direct naar de content

Arabisme als bedrieglijk midden – Deel 3: “Het Huis der Wijsheid”
12 maart 2010

Arabisme als bedrieglijk midden – Deel 3: “Het Huis der Wijsheid”

Bekijk alle berichten van Willehalm | Waarschuw de redactie

Inleiding door de vertaler: De boven afgebeelde Haroen al-Rashid, de Kalief van Bagdad tijdens de tijd van Karel de Grote, is een sleutelfiguur in het Arabisme en zal in een nieuwe gedaante in deze geestelijke stroming in deel 4 optreden als niemand minder dan de Amerikaanse president Woodrow Wilson, de architect van de zog. 14 punten, waarmee hij de noodlottige illusie koesterde wereldvrede, of tenminste vrede in Europa na de verwoestende Eerste Wereldoorlog te kunnen stichten. Daarmee wordt o.m. duidelijk dat het Arabisme weliswaar historisch gezien destijds van de Arabieren uitgegaan is, maar dat het als geestelijke stroming van het materialisme, dwz. het intellectualisme geheel niet aan een volk of ras gebonden is, maar in wezen een grondtendens van onze moderne tijd is. Het is immers een noodzakelijke doorgang vanuit het instinctieve naar het intuïtieve - een algemene ontwikkelingsweg, die in de moderne geschiedenis van de mensheid haar prototype heeft gehad in het feitelijk gebeurde verhaal van Parzival, die zich vanuit instinctieve (i.e. lijfgebonden) domheid via twijfel (het hoofdkenmerk van de intellectueel) naar gelukzaligheid (de intuïtieve eenwording met alles en iedereen) wist te worstelen. Maar nu eerst deel 3.

We werpen eerst een blik op dit cultuurcentrum in Bagdad. Het was de kalief Ma’mum (813-833) die hier op grond van een droom “Het Huis der Wijsheid” bouwde. De legende bericht dat de geest van Aristoteles voor hem verscheen en hem verzekerde dat er tussen de rede en religie geen tegenspraak bestaat, waardoor de overtuiging van Ma’mum werd versterkt dat dit wijsheidsoord niet in tegenstelling tot de Koran zou staan. Doch pas Haroen al-Rashid, die als 23-jarige jongeling tot kalief werd uitgeroepen, verschafte deze instelling een ongekende wereldroem. Van de universaliteit van deze wijsheidsschool kunnen we ons nauwelijks een voorstelling maken. Er was geen terrein der wetenschap, zij het filosofie, astronomie, mathematiek, geometrie, theologie, rechtsgeleerdheid en geneeskunde, dichtkunst, kalligrafie en architectuur, dat niet door de meest vooraanstaande mannen werd vertegenwoordigd. En vooral ook de schare van vertalers die ononderbroken bezig waren Griekse, Syrische, Perzische teksten in het Arabisch over te dragen. Typisch genoeg waren het vooral christenen en joden die aan dit werk deelnamen. Vanuit dit “Huis der Wijsheid” straalde het maanlicht van de Islam in zijn helderste glans en verspreidde zich over de gehele cultuurwereld. Het was een uitdaging van de allergrootste orde, in het bijzonder tegenover de christelijke stroming, die dan in de 12de eeuw haar geestesgeschiedkundige culminatie vond.

We moeten het ons ontzeggen om in dit beperkte kader meer dan verwijzingen naar deze wereldbeduidende dramatiek te geven.

Reeds Haroen al-Rashid trok vele belangrijke artsen van zijn tijd naar zijn hof. Onder diegenen zij Nonein ibn Ishak vermeld die als leerling van de beroemde Academie van Gondischapur (Dschundishapur) de invloed van dit reservoir van de hele oude geneeskunde naar Bagdad overdroeg. Onder zijn leiding ontstonden een veelvoud van vertalingen uit het Grieks, niet alleen geneeskundige, maar ook filosofische, natuurwetenschappelijke en religieuze van inhoud. Het geestesgoed dat in de Academie van Gondischapur als laatste uitloper van de School van Athene was bevorderd, stroomde langs deze weg in de Arabische cultuurkring. Op deze wijze werd de grondslag gelegd voor het eigenlijke “Arabisme”, die de christelijke stroming dreigde te overweldigen. De geesteskracht van Albertus Magnus, Thomas von Aquino en andere christelijke persoonlijkheden moest er aan te pas komen om deze stroom in christelijke banen te leiden. Tegen het einde van de 9de eeuw waren reeds de belangrijkste werken van zowel de Grieken alsook van de Oriënt in het Arabisch vertaald, dat daardoor de rang van wereldtaal der geleerdheid bereikte.

Wat voor een uitzonderlijke betekenis van de Arabische geneeskunde uitging, kan men aan het werk van de drie bekende persoonlijkheden Razi (Rhazes), Ibn Sina (Avicenna) en Ibn Maimum (Maimonides) afmeten. Razi, die meer dan 200 boeken geschreven zou hebben, die van geneeskunde en astronomie tot aan alchemie en theologie reiken, pende o.m. een afhandeling over pokken, waarvan de hygiënische ideeën vooruitliepen op een ontwikkeling van eeuwen en dan in de latere inentingsmethoden hun neerslag vonden. In zijn boek “Het geheim der geheimen” (Sirr Al-asrar) duidde hij op verborgen spirituele bronnen en zijn monumentale encyclopedie, waarin hij de volledige medische kennis van de Oudheid met eigen observaties verbond, werd eveneens pas eeuwen later als idee voortgezet, bv. door de universele Zwitserse arts en natuurvorser Albrecht von Haller.

Niet minder grandioos was het werk van Avicenna, wiens invloed op de Europese geneeskunde tot in de 17de eeuw reikte en een belangrijk voorbeeld vormde voor hoe een dergelijke “vorst der filosofie”, zoals men hem noemde, bepalend was voor een heel leger van volgelingen die zijn denkrichting in de weten-schap van het Avondland voortzetten. Op soortgelijke wijze werkte Maimonides, bij wiens boek “De gids der verdoolden” (Moreh Nevuchim), als synthese van het religieuze denken met de wetenschappelijke kennis van Aristoteles, zich een polemiek aansloot waarvan de uitlopers tot in het heden reiken.
Een niet onbeduidend voorbeeld is ook het werk over optiek van Ibn al Haytam (Alhazen), wiens kennis rechtstreeks tot aan Newton leidt.

Maar al deze mannen en werken werden overtroffen door de invloed van wel de belangrijkste en bekendste persoonlijkheid uit de Arabische geestesgesteldheid, die onder de naam Averrhoës (Ibn Ruschd) zijn stempel op de wereldgeschiedenis heeft gedrukt. Afkomstig uit de westerse voorpost van de Islam, heeft deze Spaanse arts als “commentator” van Aristoteles de diepste sporen in het Europese geestesleven achtergelaten. Een modern werk karakteriseert hem met de woorden: “Zoals Aristoteles de filosoof en Paulus de apostel was, zo was hij voor de latere Middeleeuwen de commentator”, die in feite de brug bouwde van de cultuur der Oudheid naar de nieuwe tijd (zie: E.J. Dijksterhuis, “De mechanisering van het wereldbeeld”, Amsterdam 2006 , 1ste uitg. 1959). Deze brug bouwde hij echter uit de elementen van de Arabische bouwkunst. De geestesstrijd tussen Thomas van Aquino en Averroës heeft de bakens gezet voor de ontwikkeling van het hele Avondland. Wat zich destijds in de schoot van de Dominicanenorde heeft afgespeeld, was in de laatste instantie de overwinning van het bedrieglijke midden dat het Arabisme voor zichzelf had bezet en dat het als het ware op de Midden-Europese cultuur wilde transplanteren. Deze schijnbare theologische uiteenzetting heeft niet alleen tot in de beeldenwereld van de dominicanenkloosters zijn neerslag gehad (men denke bv. aan de fresco’s in de Cappellonde degli Spagnoli in S.M. Novella in Florence), het heeft tegelijk de grondslag gelegd voor een verchristelijking van de wetenschap, waarvan de vruchten onze tijd pas geroepen is te oogsten. Deze strijd concentreerde zich op twee thema’s, waarvan we de actualiteit heden kunnen leren beseffen, het probleem van de menselijke individualiteit, van de persoonlijke onsterfelijkheid, en het probleem van de Triniteit, de Drievuldigheid van de verschijning van het Goddelijke als Vader, Zoon en Heilige Geest. Daarin culmineert ook in het heden nog – en juist opnieuw ontketend in onze tegenwoordige tijd – de Arabische aanspraak op wereldhegemonie tegenover de uit het centrale gebeuren van de wereldgeschiedenis voortkomende christelijke heilsleer, waarop de geestesdaad van Rudolf Steiner, de stichter van de moderne geesteswetenschap, berust.

Het reduceren van de triniteitopvatting tot het Vaderprincipe, dat we als karakteristiek voor de Islam hebben onderkend, toont tegelijk de beperking van het menselijke bewustzijn tot het alleen door de natuurzijde van het bestaan ervaarbare aan, het tussen geboorte en dood zich afspelende aardse bestaan van de mens, alsook de fysieke wereld als zodanig. Daar kan alleen het verdorde intellect vat op krijgen, dat hoogstens nog de – uiteraard niet-onderzoekbare – Goddelijkheid der natuur kan onderkennen; echter de Zoon als heelmeester en redder van het verdoemd-zijn ziek te worden en te sterven zou moeten verliezen, en de heiligheid van de geest als het transformatieprincipe van mens en wereld verloochenen. Dat daarmee niet alleen een eenzijdig natuurbeeld werd geschapen, wordt nu ook binnen het moderne onderzoeksveld zelf langzamerhand duidelijk. Dat daarmee echter ook van de geneeskunde haar belangrijkste bronoord werd weggenomen, dat haar pas tot geneeskunst kan maken, is tot op heden nauwelijks doorgedrongen – ondanks het feit dat ook daarvan het werk van Rudolf Steiner zo’n belangrijk bewijs levert. Zo beschreef hij in een medische voordracht hoe “binnen onze huidige denkwijze helemaal geen christelijke geneeswil leeft, maar die geneeswil die zich verdiept heeft in de geestescultuur door het Arabisme…” Want in een echte geneeswil wortelt een “begrip voor de mens als een kosmisch wezen” uit zijn afkomst en zijn deelname aan de kosmische krachten die zich in zijn lichamelijke gezondheid weerspiegelen. Daarom is het noodzakelijk dat “als men zich wil inzetten voor gezondheid, men het bevatten van de hele kosmos in de mens werkelijk daarheen brengt om in de mens ook de kosmos te zien.” (zie: Rudolf Steiner, “Meditative Betrachtungen und Anleitungen zur Vertiefung der Heilkunst“, vierde voordracht van 24 april 1924, Dornach, in een cursus voor artsen van de Medische Sectie aan het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap). Daarvoor heeft het moderne geestesonderzoek de enige zekere methode ontwikkeld. Ziekte noch gezondheid, diagnose noch therapie kunnen tegenwoordig gevonden worden zonder deze bron te ontsluiten, die de geneeswil rationeel, dwz. vanuit de krachten van het echte midden van ons bewustzijnsvermogen, voor de mens toegankelijk kan maken. Daartoe moet echter vandaag de erfenis van het Arabisme overwonnen worden op het veld dat Thomas van Aquino al voorbereid heeft.

Indien – volgens de interpretatie van Aristoteles door Averrhoës – de mens ontheven is van de persoonlijke verantwoording voor zijn handelingen, dan volgde daaruit voor hem dat “elk geestelijk leven als de uiting van één enkel, elk individueel bewustzijn omvattende intelligentie beschouwd” moet worden. Daarmee is niet alleen de mens van zijn persoonlijke verantwoording ontheven, want hij handelt slechts als de voltrekker van een Goddelijke wil, die hij echter niet kennen kan, dwz. als een blind instrument. Deze opvatting van het averroïstische Aristotelisme komt overeen met het fatalisme van de Islam. Zoals in de natuurrijken een strenge noodzakelijkheid heerst, kan er volgens deze leer ook geen vrijheid bestaan in het menselijke gebied. Het “starre idee van het menselijke lot”, zoals Rudolf Steiner het ooit noemde, sluit elke ontplooiing van een vrij willen uit (zie: Rudolf Steiner, “Die Trinität – Die drei Formen des Christentums und der Islam – Die Kreuzzüge“, zesde arbeidersvoordracht van 19 maart 1924 in Dornach; afgedrukt in GA 353).

Daarmee is echter niet alleen de mens gedetermineerd, het ontwikkelingsprincipe überhaupt is onmogelijk gemaakt. Reeds meer dan een half millennium geleden werd daarmee op de notie van de menselijke afstamming uit het dierenrijk vooruitgelopen. De mens is niets meer dan een natuurwezen, - de grootse these van de moderne natuurwetenschap werd daarmee opgesteld en haar latere ontwikkeling was in wezen slechts haar consequente uitwerking. Uiteraard nam daarmee gelijktijdig het abstractievermogen toe, en zo moest daaruit het fatalisme van een Dubois Reymond (“Ignoramus – Ignoratimus”) evenals het atheïsme van Sigmund Freud of Albert Einstein ontstaan. In dit wereldbeeld kan van een “Zoonsgod”, die het vrije handelen uit liefde leert en een “Geestesgod”, die het menselijke willen “heiligt”, dwz. vergeestelijken wil, geen sprake zijn. Daarmee moet echter uiteindelijk het menselijke leven niet alleen amoreel, maar tegelijk ook totaal zinloos worden, - en dat is precies het punt waar onze beschaving nu beland is. Niet alleen de geneeskunde, het hele menselijke leven dreigt in de slavernij van het Averroïsme te verzinken.

Het is alleen maar consequent wanneer de Islam het als de grootste zonde van Jezus beschouwt dat Hij zich als “Zoon Gods” aangeduid heeft en ook dat hem het eeuwige vagevuur te wachten staat, indien Hij niet van te voren deze Zijn “grootste vergissing” afzweert. Het is leerrijk om in dit opzicht de recente uitingen van toonaangevende kerkmannen te bestuderen, - hoe dichtbij ook deze al in de buurt van het Mohammedanisme komen, zonder zich daarvan bewust te zijn. En aan de andere kant zou uit een studie van het hele werk van Rudolf Steiner tot in alle details blijken, hoe dit werk een overwinning van dit bedrieglijke midden betekent.

Daarbij valt ons oog op het geesteswerk van een moderne dichter, die zijn hele scheppingskracht aan deze ontzettende dramatiek heeft gewijd. Hier moeten we genoegen nemen met een verwijzing naar het drama “Alexanders Verandering” van Albert Steffen, waarin zich een dialoog tussen de “leraar” en de “leerling” bevindt en waaruit we de volgende passage (uit Albert Steffen, “Alexanders Wandlung”, 1953) weergeven:

"De leraar:…het hele heil van de mensheid hangt ervan af dat het Westen en het Oosten elkaar in het Midden vinden.
De leerling: Maar waar is het Midden?
De leraar:In het Ik, dat bij de bron in het donkergroen van het bos de Godszoon, die neerdaalde, ontwaart en in het licht van de etheradem van het hart, de Mensenzoon die herrezen is…

(Het gezicht van de Arabische filosoof wordt herkenbaar)

De leerling:Waarom verrukt hij mij?
De leraar: Arabië, de niet overwonnen woestijn.
De leerling: Het niets in mij –
De leraar: Komt in opstand om jouw Ik te onderwerpen…
De leerling: Leer mij de Satanschrift te ontcijferen.
De leraar:Lees!
Het heelal is, sinds God is gestorven, dood.
De mens, die God heeft gedood, verliest.
Het Ik, dat niet het andere Ik vernietigt,
Laat zich vernietigen en wordt zelf tot niets.

(Averroës verdwijnt)

De leerling: Hij verlaat jou.
De leraar: Maar hij zal weer terugkeren…
De leerling: En wanneer zal zijn wederkomst plaatsvinden?
De leraar: Wanneer mensen niet meer weten dat stof zich verandert in geest…
De leerling: Wat is hun redding?
De leraar: De kennis van de wezenskern van de mens die door de dood en geboorten gaat..."

Slechts twee korte getuigenissen van de moderne wetenschap moge hier als commentaar toegevoegd worden: “…Sterven wij makkelijker, wanneer wij sterven, slechts ertoe bestemd te verrotten en een deel van de aarde te worden? Wat is ons lot?
Over al deze vragen hebben in het verloop van de geschiedenis filosofen, theologen en eenvoudige lieden nagedacht, en desondanks kunnen ze alleen door speculaties beantwoord worden. We hebben geen mogelijkheid om te weten te komen hoe waar onze oordelen in deze vragen zijn…” (zie: E. Kübler-Ross, “Reif werden zum Tode“, 1977).
En: “De mens zelf is en blijft daarom de vraag, die door hem nooit achterhaald, maar ook nooit adequaat beantwoord kan worden.” (Zie: H. Schipperges in „Wörterbuch medizinischer Grundbegriffe“, 1979)

Reacties (1)

Correctie: Niet Haroen al-Rashid trad in een latere incarnatie, volgens Rudolf Steiner, als Woodrow Wilson op, maar Muawija, de stichter van de dynastie van de Omarijaden en eveneens als Haroen een sleutelfiguur van het Arabisme. Om deze foute verwisseling goed te maken, wordt hier al de relevante passage uit deel 4 weergegeven:
"Op een heel andere manier werd een persoonlijkheid tot de uitgangspositie van zulke politiek-sociale impulsen van de Islam. Deze was reeds vóór de periode van Harun al-Rashids heerschappij als kalief in beeld gekomen. Eerst als gouverneur van het belangrijke centrum Damascus, viel Muawija door zijn bedreven politiek en behendige administratie op. In die zin had hij zijn kalifaat meer te danken aan zijn verstand dan aan zijn daadkracht. In een moderne beschrijving van de Islam lezen we over hem: 'Muawija moet vanuit de huidige optiek tot een van de wijste staatsmannen gerekend worden die het politieke Arabierendom heeft voortgebracht.' (zie: W. Fuchs, “Die Araber und ihre Welt”, 1977). Als stichter van de dynastie van de Omarijaden legde hij de grondsteen voor de eigenlijke expansie van de Arabische heerschappij tot aan het Verre Oosten en het Westen. Hij bedreef reeds wereldpolitiek en inaugureerde het meest glansvolle tijdperk in de geschiedenis van het Arabische wereldrijk.

Net zoals Rudolf Steiner geesteswetenschappelijk onderzoek heeft verricht naar het tijdperk van Haroen al-Rashid en zijn “adviseur”, die in de geschiedenis met de naam Jahja wordt aangesproken, trok ook de persoonlijkheid van Muawjia zijn aandacht. En juist het element dat vanaf het begin van de Islam deze religie het sterkst vormde, het 'abstracte in het doordenken van de wereld', het monotheïstische idee van de Vadergod, kwam bij een dergelijke persoonlijkheid tot uitdrukking. Voor de geestesonderzoekende blik onthulde deze zich in een latere incarnatie als de architect van een eveneens abstracte gedachteconstructie: de '14 punten' van Woodrow Wilson, voormalige geschiedenisprofessor in het Amerikaanse Princeton, die geloofde dat met deze 'koude, abstracte, inhoudsloze zinnen men een wereld zou kunnen vormgeven.' (zie Rudolf Steiner, 'Karmabetrachtungen. Baco von Verulam, Amos Comenius, Woodrow Wilson', zesde voordracht van 12 juni 1924 in Breslau, afgedrukt in “Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge,“ V. Band, GA 239). Deze 'wereldhistorische illusie, die tot op de dag van vandaag door de gevolgen van het Verdrag van Versailles van 1919 zich in het politiek-sociale leven van de volkeren voortsleept, werd eveneens door Albert Steffen tot het middelpunt van een drama gemaakt, de 'Vredestragedie' (zie: Albert Steffen, 'Friedenstragödie', 1936).

Willehalm op 27-01-2010 23:25 | Waarschuw de redactie

Alleen geregistreerde bezoekers kunnen hier reageren. Ga naar registreren of inloggen.

Blogs

Doe mee

Meld u aan en begin een eigen blog. Al geregistreerd? Log dan in en keer terug naar deze pagina om een nieuw bericht te schrijven.

Uitgelicht

Weblog Delfgaauw

Paul Delfgaauw stelt in zijn blog 'over goden en mensen' vragen over geloof, wetenschap en de kunst van het leven.

Uitgelicht

Weblog Salicornia

Bioloog Frans Olofsen schrijft in zijn blog ' over grenzen en grensgangers' over kunst, evolutie en natuur.

Uitgelicht

Weblog Winkelman

HP Winkelman blogt over vrije wil, leven na de dood en het christelijke geloof.

Uitgelicht

Weblog Kookdominee

Kookdominee Han Wilmink blogde tijdens de veertigdagentijd over zijn vastenervaringen. Hier kunt u het teruglezen.