Bekijk alle berichten van rjnoren | Waarschuw de redactie
Begin oktober bezocht ik de themadag ‘ goed en fout anno 2009’ georganiseerd door het Nationaal Monument Kamp Vught. Een van de sprekers die dag was een socioloog die studie had gemaakt van de ex-politieke gevangenen uit de Tweede Wereldoorlog die zich na de bevrijding hadden georganiseerd in een vereniging die bekend onder de naam Vereniging van Ex-politieke Gevangenen , kortweg ‘de Expogé’.
De auteur vertelde over zijn bevindingen tijdens het onderzoek voorafgaand aan de publicatie van het boek getiteld ‘Over de geest van het verzet’ en toonde ons op een gegeven moment een foto van de oprichtingsvergadering van de Expogé waarop men, op de achtergrond van de aanwezige oprichters, een spandoek kon zien waarop met grote letters geschreven : ‘De offers mogen niet voor niets geweest zijn’… Op dat moment stelde een van de toehoorders aan de auteur de vraag of hij een omschrijving kon geven van het type mens dat zich tijdens de oorlog geroepen had gevoeld om in verzet te komen tegen de bezetter. De beste man kon of wilde daar geen antwoord op geven . Hij antwoordde - heel formeel- dat deze vraag geen géén deel had uitgemaakt van het onderwerp van zijn onderzoek.
In de korte samenvatting - gevonden op de website van de uitgeversmaatschappij van ‘Over de geest van het verzet’- las ik hierover het volgende : ‘ …vooral moest de geest van het verzet bij de bevolking doordringen, zodat er bij volgende bedreigingen van de vrijheid veel massaler weerstand zou zijn. Een mooi streven, maar de vraag was wel: wélke geest van het verzet?’
Hier vindt u een door de auteur geschreven samenvattende tekst over zijn onderzoek : http://www.niod.nl/documents/actueel/Artikel_De_geest_van_het_verzet_Cogiscope.pdf
Tot besluit A. den Doolaard’s gedicht 'Onze Lieve Vrouwe van den Goede Duik' :
Sterre der Zee, schenk mij Uw hemellicht
Dat ik geruischloos sluipen kan langs 't pad
Naar 't hol dat onder de varens ligt verborgen.
Moeder van God, schenk mij het vergezicht
Van het geloof aan de eeuwigheid, opdat
Ik niet verzink in het moeras der zorgen.
Heide en veen zijn nu mijn toevluchtsoord
als eens voor U de ruigte der woestijnen.
Weer heeft de vijand kinderen vermoord,
Weer moest en volk in slavernij verkwijnen,
Weer heeft een land aan vreemden toebehoord,
Weer kwam het juk der ticheldagers schrijnen.
Zo 'k ooit gebeden heb in vol vertrouwen
Dat al mijn nooddruft diep begrijpen vond
Dan is het nu: Gij kent de striem der touwen;
Gij stond er bij, toen 't marteltuig Hem schond.
De diepste smart van ooit heeft U doorwond:
Gij zijt van aller leed de Lieve Vrouwe.
Gij deelt de smarten niet in groot en klein;
Dat is 't geheim van 't Goddelijk mededoogen.
Hoevelen er ook onderduikers zijn
Gij zijt hun aller weg reeds lang getogen:
Gij kent de veilige slaap in 't stroo der dorpen;
Gij kent de smart weer te zijn uitgeworpen.
Gij deed het lang voor ons; Gij kent het al;
Gij kent het binnenst van een paardestal,
Gij weet hoe mest ruikt en hoe hoeven klinken
Bij nacht schuiflend langs der kribbe rand
Een schim van onraad fluistert en een hand
U meetrekt tot de daken snel verzinken.
Gij kent de vlucht; 's daags hitte, 't nachtelijk vriezen,
Het angstig zweeten, als de kruisweg komt
Achter 't bedrieglijk scherm der dunne boomen;
Geluiden die zich in den nacht verliezen;
De schrik, wanneer de weg zich plotseling kromt
En er een schildwacht roerloos staat te droomen.
Op onraad staan de wieken der molen.
De horens blazen onraad door het land.
Onraad is het gefluister in de struiken.
Nooit kan ik voor dit onraad onderduiken
Als 't onraad blijft in 't eigen hart verborgen,
En 'k mij niet overgeef in Uwe hand.
Want zoo ik niet geloof dat steeds mijn ziel
Onkwetsbaar blijft, zelfs als des vijands loopen
Zich richten op mijn hart dat aan Uw heilig
Geded is toevertrouwd; - dan, nergens veilig
Ben ik een strooper die zichzelf ging stroopen,
Een jager die in eigen strikken viel.
Sterre der Zee, daal neer dus in mijn hart
En maak het stil, als vogels in hun nesten
die argeloos het zwiepend zwerk vertrouwen.
Hoe ik ook zwerf, toch steeds ten lange leste
Kom ik tot U die zijt van onze smart
En onzen goeden duik de Lieve Vrouwe.
Schenk Uw mild mededoogen aan de boeren;
Bewaar mijn voeten voor de valsche klem
Van hen die met den Duitschen vijand hoeren.
Dan, elken dag als ik den dauw weer ruik
Zal ik U prijzen met gesmoorde stem
Gij, Lieve Vrouwe van Den Goeden Duik.
A. DEN DOOLAARD
Aan 'pater Lodewijk' droeg A. den Doolaard - een der voortreffelijkste Nederlandse schrijvers - het "Gebed tot Onze Lieve Vrouw van den Goede Duik" op dat hij - aan depressies ten prooi - in de herfst van 1944 in Londen dichtte.
"Moge dit gedicht, geschreven voor katholieken door een niet-katholiek, getuigenis afleggen van den nieuwen eerbied voor elkanders overtuiging die tijdens den oorlog tusschen Nederlanders van verschillende richting is gegroeid en hopelijk in de vredesjaren behouden zal blijven", zo schreef A. den Doolaard in zijn inleiding op 'De Partisanen' aan welke bundel bovenstaande versregels zijn ontleend.
Bron: 'De Aal van Oranje' , een biografie van pater Lodewijk Bleijs
Jan van Lieshout 1988
http://norenburg.blogspot.com/2009/02/enquiry-missing-persons.html
Alleen geregistreerde bezoekers kunnen hier reageren. Ga naar registreren of inloggen.